Het leed achter dons

Ganzen worden vaak meerdere keren in hun leven geplukt. De ouderdieren worden het hardst getroffen, zij produceren de kuikens die naar de vetmesterijen gaan. De dieren kunnen tot 16 maal in hun korte leven geplukt worden en moeten daarbij onvoorstelbare kwellingen ondergaan. Door de ruwe behandeling tijdens het plukken zijn pijnlijke wonden en vleugelbreuken niet ongebruikelijk. Na het plukken vertonen de vogels duidelijk tekenen van onrust, vluchtgedrag en stress, daarom worden er in veel gevallen kalmeringsmiddelen toegediend. Vaak wordt beweerd dat het dons tijdens de rui ‘geoogst’ wordt, zonder de dieren schade toe te brengen. Er zijn vele redenen waarom dit in de praktijk niet werkt, met name omdat niet alle veren in dezelfde fase van de groeicyclus zitten en hierdoor niet op hetzelfde moment uitvallen. Bovendien komen op een bedrijf niet alle dieren tegelijkertijd in de rui. Vandaar dat er ook veren en dons worden geplukt die nog in de huid vastzitten en met bloedvaten zijn verbonden. Zodoende lijdt tijdens het oogsten van dons het grootste deel van de dieren onder het levend plukken.

Levend plukken is echter niet het enige dierenwelzijnsprobleem dat zich voordoet tijdens de productie van dons. Bij fijnproevers is de zogenaamde foie gras geliefd. Vooral rondom Kerst belandt foie gras bij veel van hen op de borden. Voor de productie van foie gras worden ganzen en eenden in kooien gehouden en drie tot vier keer per dag onder dwang gevoederd. Twee tot drie weken voor de slacht wordt begonnen met het dwangvoederen. Hierbij wordt een buis in de slokdarm van het dier geduwd (dat alleen al kan wonden veroorzaken) en worden grote hoeveelheden voedselbrij met behulp van een persluchtsysteem in de maag gepompt. Het resultaat hiervan is een lever die tot tien keer zo groot is als normaal. Sommige dieren hebben ernstige gezondheidsproblemen en sterven al gedurende de periode dat zij gedwangvoederd worden of op weg naar het slachthuis.